donderdag 15 augustus 2013

Heeft een beroepscode voor journalisten zin?

Politiek-actie.net, 5 februari 2004
Heeft een beroepscode voor journalisten zin?


Door factoren als concurrentiedruk en de hoge omloopsnelheid van nieuws schieten journalistieke normen en waarden er steeds vaker bij in.

Door Steven de Jong

Belangrijke methoden en waarden als hoor en wederhoor, objectieve berichtgeving en onafhankelijke nieuwsgaring staan onder druk.

Wanneer media te snel berichten van elkaar overnemen, en niet de tijd nemen om deze waarden in acht te nemen, ontstaan mediahypes met een zeer schadelijke uitwerking. Niet alleen voor de direct betrokkenen, maar óók voor de journalist en het medium.

De media onder vuur

Over dat laatste kan Henk Krol, hoofdredacteur van de Gay Krant, meepraten. In zijn jacht op pedofielen nagelt hij een topambtenaar van het ministerie van Justitie aan de schandpaal. Ook in het weekblad Panorama en op radio en televisie licht hij de ernstige beschuldigingen over seksuele misdrijven gretig toe. Maar de beschuldigingen kloppen niet. Krol moet, minder gretig, het boetekleed aantrekken. Panaroma trekt zich er nauwelijks wat van aan, het blad balanceert graag op het randje van het journalistiek betamelijke: ‘alles voor de kijkcijfers!’ (Panorama bestaat vooral uit plaatjes, red.).

Een tweede voorbeeld: na de nederlaag van het Nederlandse elftal tegen Schotland meent Henk Spaan een primeur te hebben. Op de voorpagina van het Parool vertelt de journalist trots dat Nederlandse voetballers na de afgang in Glasgow vrolijk zijn gaan stappen. Volledig uit de lucht gegrepen, blijkt. Een beschamende rectificatie volgt.

Het Parool blijkt hardleers: op 10 januari 2004 klapt Heleen van Royen uit de school en doet een boekje open over het prostitueebezoek van, toenmalig, wethouder Rob Oudkerk. Zaken die hij privé aan haar heeft toevertrouwd.

Van Royen ondermijnt hiermee de ongeschreven regel die politiek verslaggevers hanteren: ‘over het privé-leven van een politicus wordt niet bericht, tenzij de man of vrouw het zelf publiekelijk ter sprake brengt (dus geen borrelpraat, red.) of er door in de problemen komt.’ De kwestie levert alleen maar verliezers op: Van Royen wordt door het merendeel van haar beroepsgroep uitgekost. Oudkerk moet aftreden als wethouder.

Zo kunnen we nog even doorgaan, maar deze voorbeelden zeggen genoeg: als journalisten al morele gedragscodes hanteren in tijden van mediahypes, dan is daar in de praktijk bitter weinig van te merken.

Geschiedenis van journalistieke gedragscodes

De geschiedenis leert echter dat er al verhoede pogingen zijn ondernomen om journalisten een gedragscode op te leggen. In 1894 begon de discussie over de kwaliteit van de berichtgeving al. In 1931 is er zelfs even een internationaal Tribunaal voor de Journalistiek geweest in Den Haag, maar toen kwam de oorlog en is het verdwenen.

Na de Tweede Wereldoorlog heeft de International Federation for Journalists de draad opnieuw opgepakt en een beroepscode opgesteld. De grondbeginselen hierin zijn: vrijheid, waarheid, eerlijkheid, vertrouwelijkheid en integriteit. In 1995 kwam de Gedragscode voor Nederlandse Journalisten (ook wel Genootschapscode genaamd), die op verzoek van het bestuur van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren is ontworpen door de Commissie Juridische Zaken en Ethiek (JZ&E).

Genootschapscode

De Genootschapscode behandelt heel concreet de journalistieke doodzonden, zoals het aannemen van steekpenningen, het opzettelijk onjuist informeren of het uiten van ongegronde beschuldigingen, de relatie tussen waarneming of bronnen en de journalist, inclusief bronbescherming, hoor en wederhoor, het ‘undercover’ en met verborgen camera werken, het ontzien van privacy, rechtzetting en weerwoord. “De Genootschapscode behandelt alles tegen de achtergrond van de constatering dat nieuwsvoorziening een algemeen belang is dat voor de journalist voldoende materiële en mentale ruimte vergt, alsook voldoende zorgvuldigheid.”, aldus de voorzitter, Dick Verstegen, van de Commissie JZ&E.

Draagvlak


Bij ongeveer tien dagbladen en het ANP zijn intussen de Genootschapscode of vergelijkbare afspraken ‘officieel’ in gebruik, de laatste vaak al van vóór de introductie van de Genootschapscode. Het treurige feit is dat vrijwel geen enkele journalist weet heeft van de Genootschapscode, om maar niet te spreken van de ‘checklist’ die zij ‘moeten’ hanteren in het uitoefenen van hun ambt. In een tijd waar commerciële criteria bij nieuwsorganisaties de leidraad zijn, ‘als het entertainmentgehalte toeneemt, neemt het investigative journalism af’, lijkt er weinig draagvlak voor en behoefte aan journalistieke gedragsregels. Althans bij journalisten, veel politici en bekende Nederlanders zien ze maar al te graag.

Zelfregulering

Het probleem is dat de codes zijn opgesteld voor de individuele journalisten en niet voor organisaties. Het is geen code van de werkgever, dus elke individuele journalist moet zelf oordelen. De definitie is, anders dan bij medici en juristen, moeilijk: voor wie geldt de code? Wie is journalist? Omdat het een vrijwillige afspraak is, is er ook geen straf maar zelfregulering. De code is niet bindend, niet afdwingbaar en zit vol compromissen. Een beroepscode voor de journalistieke professie snijdt door kranten, televisieprogramma’s, bedrijven en organisaties. Journalisten kunnen hun beroep niet meer vrij uitoefenen, is een vaak gehoord tegenargument. Kranten als NRC en Telegraaf en bladen als Elsevier en Story onderscheiden zich juist door het onderlinge verschil in ethische spelregels.

Kompas

Dick Verstegen, voorzitter van de Commissie JZ&E van het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren weerlegt deze argumenten: "Een code ontleent haar waarde niet aan afdwingbaarheid of belangenafweging. Een journalist moet bij elke situatie op het kompas van zijn onafhankelijk beoordelingsvermogen kunnen varen. Daartoe biedt de code een hulpmiddel bij uitstek, met tegelijkertijd nog voldoende ruimte voor de noodzakelijke eigen interpretatie van de journalistieke maatschappelijke context."

Ongrijpbare professie


Versteeg’s ideaal is, hoe goed bedoeld ook, niet houdbaar, toepasbaar en al helemaal niet te handhaven. De vrijblijvendheid van zijn code, voor de ongrijpbare professie die journalistiek heet, blijft het heikele punt. Het streven om met de Genootschapscode een cultuuromslag teweeg te brengen is op zijn zachts gezegd naïef te noemen, een discussie erover is gedoemd om te verzanden in een ‘welles-nietes opvoering’.

Vrouwe Justitia

Wanneer het over ‘normen en waarden’ gaat houdt iedereen er zijn eigen ideeën op na. We moeten het dus doen met de huidige rechtspraak. Wel moet deze aangevuld worden om individuele burgers meer bescherming te bieden tegen mediageweld. Op hun beurt moeten burgers, bekende Nederlanders en politici sneller naar de rechter stappen als zij van mening zijn dat hen door de media onrecht is aangedaan. Dit zal concrete jurisprudentie opleveren, die journalisten voorzichtiger, eerlijker en, hoewel afgedwongen, meer integer kan maken.

Het streven naar een maatschappij waarin journalisten, net als politici, aan de burger verantwoording hebben af te leggen moet, hoe treurig ook, als utopie van tafel geveegd worden. Journalistiek-ethische vraagstukken zijn alleen goed voor het kweken van moreel besef bij journalisten en het bezighouden van filosofen en ethici. De weegschaal van Vrouwe Justitia moet rechtspreken.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten